Eindelijk stelde een gemoedelijk kapitein voor om

“Eindelijk stelde een gemoedelijk kapitein voor om heen te gaan. ‘Wij hebben niet te oordelen…’

Langzamerhand scheen het dat zij vergeten zouden. Nooit spraken zij er met elkander over. Het waren meerendeels jonge mensen die ’t leven liefhadden en de ouden hadden reeds te veel ondervonden. Binnen enige dagen was het weer tussen hen als vanouds.

Wanneer zij echter nog eens een schildwacht zagen die op zijn post was ingeslapen, was ’t een geheime overeenkomst dat ze hem wekten.

Had de duivel dit bemerkt?

Hij liet een order bekendmaken die ineens de oude geleden geschiedenis in herinnering bracht. Nog strenger dan vroeger luidde het bevel.

Wie een schildwacht slapende zou aantreffen, had ’t recht hem te doden. Wanneer een soldaat het bemerkte, rustte op hem de plicht; als hij deze plicht niet volvoerde, zou hij zelf moeten sterven.

Angstig luisterde Alfons naar deze woorden. Nu bemerkte hij dat de wrok langer bleef in de ogen zijner kameraden en dat ze hem ontweken. Dikwijls zag hij dat ze onder elkander fluisterden, maar als hij hen naderde, was ’t altijd over onbeduidende dingen dat zij spraken.

Zijn vader hield van hem. Dat het een vreemde liefde was van de duivel, kunt gij wel begrijpen. Toen de knaap jong was, had de vader hem naar Den Haag gestuurd – de moeder was jong gestorven – en daar was hij bij een tante opgevoed. De Duivel reed tot Dordrecht om hem te halen. Op de huisweg had hij geen enkel woord gesproken. Pas op het ogenblik dat zij Bergen op Zoom in ’t zicht kregen, zei hij enkele woorden:

‘Voortaan sta je onder mijn commando. Over zaken van dienst wil ik niet met je praten.’

Zo was ’t gebleven.

Nu wist Alfons dat hij gehoorzamen moest, al voelde hij dat men een deel van de haat ook aan hem gaf. Zou hij niet als spion dienen? Men vertrouwde hem niet meer. Hoe wist de duivel alles zo nauwkeurig wat er in dienst geschiedde? Wie kon een betere handlanger zijn dan Alfons?

De jonge vaandrig wist dat hij gemeden werd. Waar hij vroeger algemeen kameraden had gekend, waren thans zijn vijanden. Hij was vogelvrij verklaard. ’t Gerucht sloop door in de stad Bergen op Zoom. De meisjes gingen hem voortaan zonder lach of groet voorbij.

Niemand vermoedde dat hij met zijn vader gesproken had. Hij was te trots om dit te vertellen.

Een avond had hij de duivel buiten de Steenbergse poort ontmoet. Even had hij geaarzeld… toen besloot hij hem te zeggen wat er in hem omging. De duivel hield zijn schreden niet in. Met lange passen liep hij over de weg. Hij had de kraag tegen ’t hoofd geschoven en hij ging iets gebogen, zijn sporen kletterden. Dat gaf zijn gehele figuur iets afwerends, maar flink streefde hem de vaandrig terzijde.

‘Vader!’ riep hij.

De plaatsmajoor matigde zijn snelle, ritmische tred niet. ‘Vader een verzoek…’ Nog altijd zweeg de duivel.

‘Vader ik verzoek… om mijn overplaatsing.’

‘Overplaatsing?’ gromde de oude militair. ‘Waarom?’

‘Omdat ik hier niet op mijn plaats ben.’

‘Niet op je plaats?’

‘Vader! Ik wil overal zijn behalve hier. ’t Is een hel voor mij hier!’

‘Meen je dat ik je zal overplaatsen?’

‘Als u me niet overplaatst…’

‘Bewaar afstand, jonge kemphaan. Jij wordt niet overgeplaatst. En daarmee zeg ik je ingerukt mars! Val mij niet weer lastig!’

Als een echo van zijn vaders scherpe tred was de smart voortaan in zijn jonge ziel. Kon hij zich verweren tegen de gedachte zijner kameraden? En hoelang zou het duren dat hij nog in Bergen op Zoom moest blijven?

Pas een jaar later bewees hij zijn makkers wie hij inderdaad was, trouw tot in de dood. Hij, de blonde, jonge vaandrig, een spion van de duivel? Alles mocht men van hem zeggen, maar dit niet.

Het was tijdens een feest. Overal klonk muziek tot diep in de nacht. Men kon niet begrijpen dat er ooit enige smart in Bergen op Zoom was geleden. De benen werden niet moe van het dansen, de ouden van dagen waagden nog eens een horlepiep en waar was al het bier gebrouwen? Er waren vreemde dingen te zien… een Vlaamse reuzin en een grijnzende neger, de dikste vrouw ter wereld was ook in Bergen op Zoom. Op de markt blies en stampte een doedelzakman, een beer sprong duizend sprongen, een heidin zei de toekomst. Marskramers klopten aan de huizen en ze lieten de schoonste kralen in de zon schitteren. Want het waren dagen van zonlicht waarin men leefde! ’t Kan in Brabant niet regenen als er feest is. ’t Zonlicht werd niet moede tot laat in de avond en het was een festijn waarin de hele wereld schik had, van ’t kleinste kind tot de gerimpeldste bes. De soldaten en officieren waren vooraan.”